Korte Ontstaansgeschiedenis van de fotografie

 

1826:   ontstaan van de oudst gekende foto (Heliograph) door Joseph Nicéphore Niépce (1765-1833).

1839:   ontstaan van het begrip fotografie als een bruikbare techniek zowel in Frankrijk als in Engeland. In Frankrijk ontwikkelde Louis-Jacques-Mandé Daguerre (1789-1851) een techniek waarbij een gladgepolijste met zilver bedekte koperplaat, of in zeldzame gevallen een zilverplaat, lichtgevoelig werd gemaakt door jodiumdamp. Na belichting werden de zilverplaten ontwikkeld onder dampen van verhit kwikzilver. Een vrij gevaarlijke techniek met een prachtig resultaat die “daguerreotypie” (1839-ca.1855)   werd genoemd.

1841:   William Henry Fox Talbot (1800-1877) ontwikkelde in Engeland een vergelijkbare techniek, maar hierbij werd geen gebruik gemaakt van zilverplaten maar wel van stevig schrijfpapier. Het papier werd eerst in een oplossing van keukenzout gedompeld en daarna bestreken met zilvernitraat. Die eenvoudige chemische reactie levert zilverchloride op, een lichtgevoelige stof. Talbot noemde zijn eerste afbeeldingen “photogenic drawings”. Talbots techniek wordt ook wel “talbotypie” of “kalotypie” genoemd.

1850:   Louis-Désiré Blanquart-Evrard (1802-1872) bracht op een dunne gladde papiersoort een laag eiwit aan, voordat hij het papier lichtgevoelig maakte. Het resultaat was een glad, halfglanzend afdrukpapier, dat alle facetten van het oorspronkelijk negatief bleef behouden. Deze techniek bleef tot ca. 1890 in gebruik en is bekend als “albuminedruk”.

1851:   Het “natte collodiumprocédé” werd door Frederick Scott Archer (1813-1857) tot een bruikbaar procédé ontwikkeld. Hierbij werd een kleine hoeveelheid collodium, waaraan kaliumjodide was toegevoegd, op een glasplaat gegoten. Wanneer het vluchtige materiaal in de collodiumoplossing bijna was verdampt werd het glas met een oplossing van zilvernitraat behandeld. De nu lichtgevoelige plaat kon  in de camera belicht worden.

1854:   Kort na de ontdekking van het natte collodiumprocédé werd een nieuwe techniek ontwikkeld. Men ontdekte dat een te dun negatief (niet bruikbaar voor gewone afdrukken) op een zwarte ondergrond een positief beeld gaf. Door toevoeging van salpeterzuur aan de ontwikkelaar en het negatief zeer kort belichten en te ontwikkelen, ontstond er een bruikbaar beeld voor dit procédé. In England stonden de afdrukken bekend als “collodiumpositieven op glas” in Amerika als “ambrotypieën” en op het Europese continent als “amphitypieën”.

1855:   De Fransman “Alphonse Louis Poitevin”(1819-1882) neemt een patent op een inktprocédé gebaseerd op het gebruik van een afdrukplaat met reliëfstructuur.

1856:   De eerste echte “droge collodiumplaten” werden ontworpen door “dr. Hill Norris”

            uit Birmingham. De platen werden met een oplossing van arabische gom of gelatine afgedekt. De platen werden dan gedroogd en konden nadien verpakt worden.

1858:   “John Pouncy”(1820-1894) vervaardigde de eerste “kooldruk”. Hij gebruikte gom en hete gelatine als oplosmiddel voor het pigment.

1864:   Aan de collodiumemulsie, die cadmiumbromide bevatte, werd zilvernitraat toegevoegd om zo een gevoelige emulsie te verkrijgen die meer op zilverbromide dan op zilverjodide was gebaseerd, waarbij het zilverbromide zich in zwevende toestand in de emulsie zelf bevond. Het principe van Poitevin werd door “Walter Bently Woodbury”(1834-1885) voor zijn “woodburytypie” en door “Joseph Wilson Swann”(1828-1914) voor diens “kooldrukprocédé” toegepast.

1871:   Uitvinding van de “droge gelatineplaat” door de Engelse arts Richard Lee Maddox (1816-1902).

1873:   “Hermann Wilhelm Vogel”(1834-1898), een Duitse professor in de fotochemie in Berlijn, ontdekte dat de collodiumemulsieplaten, wanneer men ze met bepaalde anilineverven behandelde, gevoelig werden voor de kleuren die door de verfstoffen werden geabsorbeerd. De eerste stap naar de kleurenfotografie werd hiermee gezet.

1888:   Ontstaan van de eerste “rolfilm” en de daarbij behorende camera, de “Kodak”.

 

evh160902

 

Terug Verder